zondag 16 februari 2020

Achter je vrouw aanhobbelen


Gisteravond zat ik in de Euroborg. Niet omdat ik plotseling bekeerd ben tot Koning Voetbal. Nee, ik was bij bioscoop Kinepolis. Samen met Peter, voor de film van Herman Finkers.

We zaten ruim, op de hoek van rij drie,  mét beenruimte. Bijna net als thuis, alleen het voetenbankje ontbrak.

Het stel, met name de vrouw, dat achter ons schoof was nogal prominent aanwezig. Het begon al toen zij haar jas uitdeed en tot twee keer toe respectievelijk Peters hoofd en schouder aantikte. Tijdens de saunareclame, die steeds op het scherm verscheen,  becommentarieerde ze de foto met jonge mensen in het bad. Dat beeld klopte volgens haar niet, want in de sauna zie je alleen maar zestigplussers. Vervolgens begon ze over haar voordeelpasje van het Kruidvat. Je deelt eerst al je gegevens voor kortingen en vervolgens zie je de producten een week later met korting in het schap liggen. Irritant dus. Ik stootte Peter aan en fluisterde: 'Dan neemt ze die pas toch niet?' 'Inderdaad, hou je snavel' was onze eensgezinde conclusie. Misschien dacht die man dat ondertussen ook wel maar hij hield zich, buiten wat gehum en gegiechel, op de achtergrond.

Tijdens de presentatie van nieuwe films ging het gekakel gewoon door. Toen er op het scherm een melding kwam dat storend gedrag in de bioscoop op een 06 nummer gemeld kon worden dachten wij hetzelfde. In plaats van over te gaan tot actie stootten we elkaar weer aan. Toen de hoofdfilm begon ebden haar woorden in de eerste seconden weg, nadat ik 'sssst' deed. Gewoon toeval natuurlijk.

De film gaat over een langdurige relatie met ingesleten patronen, die voor hoofdpersoon Jan, steeds meer als benauwd, worden ervaren. Hij durft niet te scheiden en in plaats daarvan doet hij zich voor als dement. Hij wordt opgenomen op een gesloten afdeling van een verpleegtehuis om op die manier van de extreme betutteling van zijn vrouw Gedda af te komen.

Een film vol humor en tragiek. Maar ook de liefde die daar doorheen sijpelt is kenmerkend voor hun relatie. Ondanks de last die Jan in zijn huwelijk ervaart blijft de liefde voor Gedda onomstotelijk.

'Hier heb je ook van die mannen, die achter hun vrouw aanhobbelen.' Het was Peters conclusie toen tijdens de pauze menig stel zich dorstig of uitgehongerd naar de shop begaf. Ik moest erg lachen om zijn scherpe observatie.

De film ging verder. Het bleef opmerkelijke stil achter ons. De vrouw was gegrepen door het thema van de film. De man zag zijn missie als geslaagd. 
Hij hoeft voorlopig geen Alzheimer te faken. 


donderdag 13 februari 2020

Vaag verhaal man


Lijn 183, 's ochtends even na achten. Richting Vinkhuizen -  Zernike.

Bij de halte Johan van Zwedenlaan stapt een jongen in. Jaar of dertien, rode capuchon. 'Mijn vader is naar Frankrijk gevlucht, ruzie met m'n moeder.' Het is het eerste wat hij zegt tegen de jongen die al eerder is ingestapt. Hij gaat verder : 'Mijn moeder is helemaal overspannen met twee kinderen. Maar ik wil later ook twee kinderen.'

De bus gaat de bocht om. De beide jongens praten verder over gezichtscrèmes. En over hun kapsel. Dat wil nooit wat zij willen, ook al gaat er een lading gel op.

'Ik was maandag nog vrij, ik had een lang weekend', zegt de capuchondrager. 'Naar je vader geweest?' vraagt zíjn maat. 'Nee, hij is gisteren pas weg gegaan', antwoordt hij.
'Echt een vaag verhaal man', klinkt het peinzend. De capuchondrager reageert met:  'Ik was bij Centerparcs. Vette glijbanen daar. En meteen  daaropvolgend: 'Ga je ook naar het schoolfeest?' 
'Weet ik nog niet. Berlijn wordt wel gaaf.'

Bij halte Metaallaan stapt het tweetal uit. Ik volg ze tot het schoolplein van de Leon van Gelder.
Ik loop verder richting mijn werk. Met een vaag verhaal. Het blijft de rest van de dag in mijn kop zitten. 

zaterdag 8 februari 2020

Wij doen geen zaken aan de deur


Wij doen geen zaken aan de deur. Dit staat op een bordje bij een huis uit mijn buurt en heeft altijd mijn aandacht als ik langs wandel.

Waarschijnlijk hebben de bewoners een paar keer een vervelende ervaring gehad en proberen zij verkopers en bekeerders op die manier op afstand te houden.

Die afstand lukt in mijn geval niet helemaal. Hoewel ik niets te verkopen of te bekeren heb kijk ik - júist vanwege dat bordje - extra naar binnen als ik langs wandel. Ik zie dan altijd een seniorman die aan een tafel zit. Soms met laptop, soms met krant.

Ik stap door.
Met mijn gedachten, bij het huis, het bordje en die man stap ik door.

Zou hij helemaal nooit gestoord willen worden? Durven collectanten nog aan te bellen of gaan ze zijn deur voorbij? En de kinderen met Sint Maarten, de voetballertjes met oliebollen, de jeugd voor Jantje Beton of met kinderzegels? Of geldt het bordje alleen voor de snelle jongens van het energiebedrijf?

Ik stap door.

Zou er een vrouw zijn? Of een vriend, vriendin, kind, kat of kanarie met wie hij wél zaken kan doen? Wil doen. Hoopt te doen?

Ik stap door maar wil terug.
Uitzoeken hoe het zit met de zaken op het bordje. Aanbellen en vragen. Maar ik weet niet of ik dan een zaak heb waar wél aan gedaan wordt. Nou ja, het zijn mijn zaken natuurlijk niet.

Stom bordje. 





vrijdag 31 januari 2020

Willen maar niet doen. En andersom

Drie jongens van een jaar of vijftien. Weggedoken in hun capuchon lopen ze tegen de wind in richting school. Ik fiets ze achterop. Een van het drietal doet een handopening. Een plastic zakje beweegt als een vlieger in de lucht.

Ik wil stoppen en de jongen aanspreken. Ik sta op het punt om tot actie over te gaan. Angst om uitgemaakt te worden voor zeikwijf heb ik niet. Het risico lopen om voor paal te staan is allang geen issue meer. Maar ik laat het en fiets door.

Ik wil iets maar doe het niet.

Thuis, in de kast, ligt een zakje met gesuikerde dropmix. Ik wil er niet steeds in graaien. Ik wil niet dat die onweerstaanbare dropjes met twee of drie tegelijk in mijn mond verdwijnen.

Ik wil iets niet maar doe het wel. 


woensdag 22 januari 2020

Het nieuwe gevaar

Mijn Stella en ik zijn onafscheidelijk geworden. Ik trap naar mijn werk en weer terug. Toch zo'n honderd kilometer per week.

Op het fietspad in Leek is het 's ochtends rond acht spitsuur. Scholieren, ouders met kinderen en ik, die daar tegenin moet. De jeugd is zwaar in de meerderheid. Dat is helemaal niet erg en ik snap ook best dat het leuk is om met minstens drie man naast elkaar te fietsen. Dus hou ik me in. Maar zodra ik het dorp uit ben gaan de remmen los.

Ik denk altijd dat ik best snel ga. Op z'n hardst is dat zo'n 26 kilometer per uur. Maar als ik gepasseerd word door de dame die mij elke ochtend met hoge snelheid voorbij vliegt, ben ik die illusie kwijt. Voor even dan. Want als zij uit beeld is ben ik weer de baas en sjees ik langs de   zwetende ploeteraars, die niet bedeeld zijn met een accu.

Een fiets met ondersteuning went snel. Maar niet alle weggebruikers kunnen die snelheid goed inschatten. De eend die vanochtend bijna onder mijn voorwiel zat, had daar ook nog moeite mee. Onder kwaakend protest herpakte hij zich en vloog hij weg. Zich ergerend aan het nieuwe gevaar op de weg. Het nieuwe gevaar wat mij dagelijks van A naar B brengt.

Toch maar eens serieus een helm overwegen. Voor mij en de eend. 





zondag 19 januari 2020

Een mevrouw waar je 'u' tegen zegt

'What the fuck is die bus vol'.
'Ja, hij zit daar wél lekker chill'.
'Nou, er is ook eens WiFi'.
'Volgens mijn moeder moet ik mijn haar weer anders doen.'


Ik ben in lijn 85 beland. Lijn 85 is anders dan de vertrouwde lijn 3. Lijn 85 zit barstensvol. Met alleen maar scholieren, die allemaal richting stad moeten. Ik zie nog een plekje onder een rugtas. Ik vraag aan het meisje wat ernaast zit of ze ruimte kan maken. Ze pakt hem weg en gaat door met appen, swipen of anderzins mobielgebruik. Ik speur, op zoek naar leeftijdgenoten. In de verste verte niemand te bekennen. Alleen de buschauffeur komt een beetje in de richting.

Bij  P + R Hoogkerk stap ik uit. Ik loop naar de halte waar ik wacht op de volgende bus. 'Mevrouw, weet u waar perron Q is?', klinkt het naast me. 'Ik heb geen idee, waar moeten jullie heen?', informeer ik bij het jonge stel. 'Naar Zernike', antwoordt het meisje.' Dan staan jullie goed', zeg ik.

Ze zei 'mevrouw' tegen me. 
Ik ben een mevrouw geworden. 
Een mevrouw waar je 'u' tegen zegt. 

Het zal op den duur wel gaan wennen. 












vrijdag 10 januari 2020

Naar het ziekenhuis


De partner van een collega moet binnenkort een operatie ondergaan. Als alles goed gaat mag hij op dezelfde dag weer naar huis.

De collega vertelde dat ze het met haar moeder aan de telefoon over haar eigen ziekenhuisbezoek had gehad. Pakweg vijftig jaar geleden. De amandelen werden geknipt en ze moest een nachtje blijven. Dat was standaard in die tijd. Ze herinnerde zich haar onbestemde, nare gevoel toen haar moeder haar moest achterlaten.

Door haar verhaal kwam mijn eerste nachtje ziekenhuis ook weer naar boven. Gelukkig hoefde ik niet alleen maar mocht ik samen met mijn jongste zusje Corine. Spannend natuurlijk. We waren vier en zes jaar oud. Gewapend met onze pyamaatjes, in een rieten mandje, gingen we naar het ziekenhuis. Wat er aan de operatie vooraf ging herinner ik me niet. Wel weet ik nog dat we naast elkaar wakker werden op een zaal met andere kinderen. In een bed met spijlen. En dat ik 's nachts ruzie kreeg met een verpleegster. Mijn kleine zusje moest per se naar de wc terwijl ze niet hoefde. De verpleegster greep haar bij de arm. Ik trok aan de andere arm en riep : 'Ze zegt toch dat ze niet hoeft?' De zuster won.

'Kwam er ook wat?' vroeg ik aan Corine toen ze terug was. 'Natuurlijk niet', was het antwoord.

Op de dagen erna dronken we koude ranja en reden we op onze step en gevoelige keeltjes langs de school. Daar bleven we even staan kijken naar onze schoolgenootjes in het klaslokaal. We voelden ons stoer en bijzonder. Niet naar school en toch naar buiten. Met een blauw waterijsje dat we hadden gekregen van opa, die samen met oma op ziekenbezoek kwam.

Wie dacht er nog aan een starre nachtzuster?