zaterdag 8 februari 2020

Wij doen geen zaken aan de deur


Wij doen geen zaken aan de deur. Dit staat op een bordje bij een huis uit mijn buurt en heeft altijd mijn aandacht als ik langs wandel.

Waarschijnlijk hebben de bewoners een paar keer een vervelende ervaring gehad en proberen zij verkopers en bekeerders op die manier op afstand te houden.

Die afstand lukt in mijn geval niet helemaal. Hoewel ik niets te verkopen of te bekeren heb kijk ik - júist vanwege dat bordje - extra naar binnen als ik langs wandel. Ik zie dan altijd een seniorman die aan een tafel zit. Soms met laptop, soms met krant.

Ik stap door.
Met mijn gedachten, bij het huis, het bordje en die man stap ik door.

Zou hij helemaal nooit gestoord willen worden? Durven collectanten nog aan te bellen of gaan ze zijn deur voorbij? En de kinderen met Sint Maarten, de voetballertjes met oliebollen, de jeugd voor Jantje Beton of met kinderzegels? Of geldt het bordje alleen voor de snelle jongens van het energiebedrijf?

Ik stap door.

Zou er een vrouw zijn? Of een vriend, vriendin, kind, kat of kanarie met wie hij wél zaken kan doen? Wil doen. Hoopt te doen?

Ik stap door maar wil terug.
Uitzoeken hoe het zit met de zaken op het bordje. Aanbellen en vragen. Maar ik weet niet of ik dan een zaak heb waar wél aan gedaan wordt. Nou ja, het zijn mijn zaken natuurlijk niet.

Stom bordje. 





vrijdag 31 januari 2020

Willen maar niet doen. En andersom

Drie jongens van een jaar of vijftien. Weggedoken in hun capuchon lopen ze tegen de wind in richting school. Ik fiets ze achterop. Een van het drietal doet een handopening. Een plastic zakje beweegt als een vlieger in de lucht.

Ik wil stoppen en de jongen aanspreken. Ik sta op het punt om tot actie over te gaan. Angst om uitgemaakt te worden voor zeikwijf heb ik niet. Het risico lopen om voor paal te staan is allang geen issue meer. Maar ik laat het en fiets door.

Ik wil iets maar doe het niet.

Thuis, in de kast, ligt een zakje met gesuikerde dropmix. Ik wil er niet steeds in graaien. Ik wil niet dat die onweerstaanbare dropjes met twee of drie tegelijk in mijn mond verdwijnen.

Ik wil iets niet maar doe het wel. 


woensdag 22 januari 2020

Het nieuwe gevaar

Mijn Stella en ik zijn onafscheidelijk geworden. Ik trap naar mijn werk en weer terug. Toch zo'n honderd kilometer per week.

Op het fietspad in Leek is het 's ochtends rond acht spitsuur. Scholieren, ouders met kinderen en ik, die daar tegenin moet. De jeugd is zwaar in de meerderheid. Dat is helemaal niet erg en ik snap ook best dat het leuk is om met minstens drie man naast elkaar te fietsen. Dus hou ik me in. Maar zodra ik het dorp uit ben gaan de remmen los.

Ik denk altijd dat ik best snel ga. Op z'n hardst is dat zo'n 26 kilometer per uur. Maar als ik gepasseerd word door de dame die mij elke ochtend met hoge snelheid voorbij vliegt, ben ik die illusie kwijt. Voor even dan. Want als zij uit beeld is ben ik weer de baas en sjees ik langs de   zwetende ploeteraars, die niet bedeeld zijn met een accu.

Een fiets met ondersteuning went snel. Maar niet alle weggebruikers kunnen die snelheid goed inschatten. De eend die vanochtend bijna onder mijn voorwiel zat, had daar ook nog moeite mee. Onder kwaakend protest herpakte hij zich en vloog hij weg. Zich ergerend aan het nieuwe gevaar op de weg. Het nieuwe gevaar wat mij dagelijks van A naar B brengt.

Toch maar eens serieus een helm overwegen. Voor mij en de eend. 





zondag 19 januari 2020

Een mevrouw waar je 'u' tegen zegt

'What the fuck is die bus vol'.
'Ja, hij zit daar wél lekker chill'.
'Nou, er is ook eens WiFi'.
'Volgens mijn moeder moet ik mijn haar weer anders doen.'


Ik ben in lijn 85 beland. Lijn 85 is anders dan de vertrouwde lijn 3. Lijn 85 zit barstensvol. Met alleen maar scholieren, die allemaal richting stad moeten. Ik zie nog een plekje onder een rugtas. Ik vraag aan het meisje wat ernaast zit of ze ruimte kan maken. Ze pakt hem weg en gaat door met appen, swipen of anderzins mobielgebruik. Ik speur, op zoek naar leeftijdgenoten. In de verste verte niemand te bekennen. Alleen de buschauffeur komt een beetje in de richting.

Bij  P + R Hoogkerk stap ik uit. Ik loop naar de halte waar ik wacht op de volgende bus. 'Mevrouw, weet u waar perron Q is?', klinkt het naast me. 'Ik heb geen idee, waar moeten jullie heen?', informeer ik bij het jonge stel. 'Naar Zernike', antwoordt het meisje.' Dan staan jullie goed', zeg ik.

Ze zei 'mevrouw' tegen me. 
Ik ben een mevrouw geworden. 
Een mevrouw waar je 'u' tegen zegt. 

Het zal op den duur wel gaan wennen. 












vrijdag 10 januari 2020

Naar het ziekenhuis


De partner van een collega moet binnenkort een operatie ondergaan. Als alles goed gaat mag hij op dezelfde dag weer naar huis.

De collega vertelde dat ze het met haar moeder aan de telefoon over haar eigen ziekenhuisbezoek had gehad. Pakweg vijftig jaar geleden. De amandelen werden geknipt en ze moest een nachtje blijven. Dat was standaard in die tijd. Ze herinnerde zich haar onbestemde, nare gevoel toen haar moeder haar moest achterlaten.

Door haar verhaal kwam mijn eerste nachtje ziekenhuis ook weer naar boven. Gelukkig hoefde ik niet alleen maar mocht ik samen met mijn jongste zusje Corine. Spannend natuurlijk. We waren vier en zes jaar oud. Gewapend met onze pyamaatjes, in een rieten mandje, gingen we naar het ziekenhuis. Wat er aan de operatie vooraf ging herinner ik me niet. Wel weet ik nog dat we naast elkaar wakker werden op een zaal met andere kinderen. In een bed met spijlen. En dat ik 's nachts ruzie kreeg met een verpleegster. Mijn kleine zusje moest per se naar de wc terwijl ze niet hoefde. De verpleegster greep haar bij de arm. Ik trok aan de andere arm en riep : 'Ze zegt toch dat ze niet hoeft?' De zuster won.

'Kwam er ook wat?' vroeg ik aan Corine toen ze terug was. 'Natuurlijk niet', was het antwoord.

Op de dagen erna dronken we koude ranja en reden we op onze step en gevoelige keeltjes langs de school. Daar bleven we even staan kijken naar onze schoolgenootjes in het klaslokaal. We voelden ons stoer en bijzonder. Niet naar school en toch naar buiten. Met een blauw waterijsje dat we hadden gekregen van opa, die samen met oma op ziekenbezoek kwam.

Wie dacht er nog aan een starre nachtzuster? 

















dinsdag 31 december 2019

You can't always get what you want

De laatste dag van 2019. Ik kwam mezelf opnieuw tegen dit jaar. Een moment van reflectie.

Lastige patronen die een mens, dus ook mij, elke keer weer parten spelen. In mijn geval is dat te veel verantwoordelijkheid nemen, denken iets op te moeten lossen terwijl ik dat niet kan, zeker niet alleen. Steeds alert zijn. Alles goed willen doen, het liefst vandaag nog. Het is mijn kracht maar ook mijn valkuil.

Maar ook teveel betrokken raken bij (de sores van) anderen. Anderen van wie je houdt, of in jouw leven langskomen. 

Of teveel verwachten van anderen, dat nooit kunnen ontvangen en daar kribbig over zijn. En in combinatie met de andere dagelijkse dingen, die gewoon moeten gebeuren, kan dat net iets teveel worden. Chagrijnig, boos, uitgeput, verdrietig en opgefokt.

Het zijn patronen waar ik me steeds meer van bewust ben.

Maar dan....

Er mee leren omgaan, loslaten wat niet van jou is. Een prachtig cliché. We weten het vaak wel. Vooral voor een ander. Maar ik ben ik. En ik moet het doen. Daar zit echt wat in. Ik bedoel: om daar nu zelf eens serieus een begin mee te maken.

En de kunst is om daarmee de lat eens niet te hoog te leggen. De tijd daarvoor te nemen. Als een proces, met vallen en opstaan. Steeds een beetje sterker worden. Zonder perfect te hoeven zijn.

Mijn moeder zei het vroeger al: Je doet wat je kunt, meer kun je niet. Een rustgevende gedachte. Met daarbij de onmisbare support van degene die het dichtst bij me staat.

You can't always get what you want. Mick Jagger zingt het op nummer 292 van de Top 2000. Soms doet dat pijn maar het is ook een wijsheid die relativeert.

Dat kan ik. Gelukkig steeds beter. 







maandag 23 december 2019

Bij mijn moeder in Zuidlaren

Ik steek de sleutel in het slot. Via de gang neem ik links de deur naar de woonkamer. Ze zit niet in de stoel. Bij de haard ligt haar verzameling boeken, de krant, haar IPad en haar telefoon. Ik kijk om het hoekje in de achterkamer. Niemand te zien. Ik loop terug naar de gang en ga voor de deur van het toilet staan. „Zit je hier?” roep ik. Geen reactie. Ik loop naar de slaapkamer en werp een blik in de badkamer. Niks te zien. Ook de keuken is leeg.

Dan maar even de trap op naar boven. Ik check de kamers. Geen teken van leven. Vreemd, haar auto staat er wel. Misschien is ze even aan de wandel? Maar ik ken mijn moeder. Met dit schijtweer gaat ze niet naar buiten als het niet hoeft.

Ik loop weer naar beneden. Halverwege de trap zie ik twee donkerblauwe laarsjes onder een hippe broek. Stokstijf als een standbeeld. Als ik verder loop kijken we elkaar recht in de ogen. Ik begin te lachen. „Ik hoorde gestommel en dacht: ’wat zullen we nou beleven' ”, zegt ze. „Waar zat je?” vraag ik. „Ik zat op de wc in de badkamer.” Daar had ik gekeken maar blijkbaar niet goed genoeg. „Nou, wat doen we voor leuks? Wil je thee?”, gaat ze verder.
We lopen even naar de slaapkamer. „Dat je mij niet zag."

„Ik heb nog steeds last van mijn kuit”, vertel ik. Ze pakt een tube smeersel uit de la en zegt: „Dit smeer ik op mijn knie. Baat het niet, het doucht ook niet. Probeer het maar een tijdje.” Ik ga op haar bed zitten. Met mijn broek op de enkels wrijf ik de koele gel over mijn pijnlijke kuit. „Dat moet je hier niet doen”, zegt ze. „Waar moet ik het dan wel doen?” vraag ik. „Nou, in de kamer, daar is het warm”, grinnikt ze.

Even later zitten we aan de thee. Haar Instagramaccount moet opnieuw op haar IPad worden geactiveerd. Met een qr- code. Maar dan moet eerst Whatsapp worden geopend op haar telefoon.  Dan naar Instellingen en via Whatsapp Web de code scannen. Zoals altijd zegt ze: „Ik ben te oud voor die ongein.” Zoals altijd bestrijd ik dat. Ze was al een heel eind. Alleen het laatste stapje maakte ik af.


Ze laat me een boek over onderduikverhalen zien en zegt: „Deze moet Maarten (mijn oudste zoon) ook eens lezen, ik zal het met Kerst tegen hem zeggen.” Ik vertel over de autobiografie ‘Uit het Zuiden’ van Carine Crutzen. Ik hoorde er over op de radio, op weg hier naartoe. Een verhaal over haar besef wees te zijn en welke herinneringen dit uit haar jeugd oproept. „Ik heb nog een boekenbon liggen, zullen we even bij Bruna kijken?”, stelt ze voor. Onder de paraplu lopen we richting de winkel. We staan even stil bij de kranten in het rek. „Oh, hier ligt nog een Dagblad met Dokter Denker. Die is (mijn) Peter gisteren vergeten te kopen”, zeg ik. „Je kunt die van mij wel meekrijgen”, reageert mijn moeder, terwijl ze over de drempel loopt. Maar dat vind ik niet zo’n goed idee. 

Met het Dagblad, het boek van Crutzen en een boek over Ede Staal lopen we richting de HEMA. Mijn moeder wil graag warme handschoenen want ze heeft altijd koude handen. Ze koopt een paar zwarte. Ze lijken een beetje op die van mij. Ze doet ze direct aan. Na een broodje bij Bakker Feenstra gaan we weer naar huis. „Wat is het hier altijd lekker warm”, zeg ik als ik de kamer binnenstap. We kijken de aflevering van Zembla terug. Over de dubieuze kunstverkoop van de Oranjes. Na de uitzending klapt ze haar IPad dicht. „Dat ze zich niet schamen.", zegt ze.  

Ik wil nog even naar de winkel voor een paar boodschappen. Samen rijden we naar de gloednieuwe mega AH op het voormalige terrein van de Prins Berhardhoeve. Een lange zoektocht in de winkel levert uiteindelijk bijna alles op wat ik moet hebben.

„Eigenlijk is er niks aan die grote winkels”, zegt ze als we de auto weer opzoeken. Ik zet haar af op 10 meter lopen van haar huis. „De groetjes aan iedereen”, hoor ik haar nog zeggen als ze uitstapt. In de regen rijd ik naar Leek.

’s Avonds krijg ik een berichtje van haar op mijn telefoon: ‘Je hebt je handschoenen en die tube zalf op tafel laten liggen’. Tja. Dat zal ik wel gedaan hebben toen ik van de chocola snaaide. Dat staat altijd zo uitnodigend op tafel en als je ervan eet vergeet je de rest. In gedachten zie ik haar blik waarin te lezen is dat ik altijd wel iets vergeet. En ik moet erom lachen.